Motorrijtuig

Het motorrijtuig was geplaatst op twee drieassige draaistellen. De bovendraaikom was aan de rijtuigbak vastgemaakt, die in de verende wiegbalk rustte. De wiegbalk diende tevens als onderdraaikom. De draag- en draaivlakken van de bovendraaikom en van de wiegbalk waren van speciaal staal samengesteld.Om er voor te zorgen dat de rijtuigbak niet naar één kant zou omvallen werden er twee niet-verstelbare schuifstukken aangebracht aan allebeide kanten van de draaikom. De afstand die tussen de schuifstukken zat was 7mm.

Het motorrijtuig had behalve de bestuurderscabine een machinekamer met geleiderafdeling, een bagageruimte, een afdeling voor de douane, een conducteurafdeling, een slaapafdeling voor het personeel, een kleedruimte voor het personeel en een toilet. In de machinekamer en de bagage-afdeling waren er verlichtingen met fluorescentiebuizen met een verlichtingssterkte van 75 Lux op 70 cm boven de vloer. Er was ook noodverlichting aanwezig. De noodverlichting werkte met gloeilampen op batterijen. In de bagage-afdeling moesten de zijwanden voorzien worden van schuifdeuren, ook bij de tussenwanden waren er schuifdeuren, de afdeling moest ingericht zijn met kofferschappen. De sluitingen en inrichting moesten voldoen aan de douane-bepalingen.